| |
Wanneer heeft je moeder dat cameraatje gekocht?
C: Dat weet ik niet meer
.
I: Je moeder heeft Rico heel veel gefilmd.
C: Ja.
I: En jou?
C: Nee, niet zo vaak.
I: Heb jij wel eens gefilmd ermee?
C: Ja, een keer, toen Chris ging voetballen.
I: Was dat leuk?
C: Ik wist niet hoe het werkte, dus het was gewoon zwart/wit.
I: Je bent naar een andere school gegaan ook? Hoe lang is dat geleden,
ongeveer een maand.
Hoe bevalt dat?
C: Leuk.
I: Vertel er eens wat meer over.
C: Ik vind het wel een beetje leuk, nu ik een paar dingen heb gedaan.
I: Je bent van de ene school naar de andere gegaan.
C: Van de basisschool gelijk naar deze school.
I: Welke school is dit?
C: Mondriaan.
I: Kun je basketballer worden daar?
C: Nee. We doen verschillende sporten bij gym.
I: Wat vind jij leuk om te doen aan sport?
C: Basketballen.
I: Ja, en doe je dat vaak?
C: Ja, en ook soms gaan we ook nog voetballen. Of een andere sport
zoals trefbal.
I: En hier thuis, wat doe je dan het meest.
C: Hier voor de deur beneden, gaan we elke keer voetballen.
I: Veel met Referinio he.
C: Ja, en met Chris.
I: Chris ook
Wat is er nou veranderd sinds Rico er niet meer
is?
C:
..Het is minder. Alles gewoon heel
anders.
I: Wat bedoel je daar mee?
C:
Ik weet niet hoe ik dat moet zeggen.
I: Misschien is het moeilijk om aan te geven, wat er dan anders
is. Als je nou probeert te bedenken hoe het vroeger was, en hoe
het nu is. Kun je mij dat vertellen?
C: Vroeger waren we meer aan het spelen met elkaar en zo. Nu niet
meer zo veel.
I: Hoe komt dat?
C: Het is rustiger. Ietsje rustiger. Maar met Chris. Chris doet
soms ook vervelende dingen.
I: En Rico?
C: Was ook vervelend.
I: Mis je hem?
C: Ja.
I: Wanneer mis je hem het ergst?
C: Wanneer ik bij de begraafplaats ben.
I: Ga je daar vaak naar toe?
C: Soms gaan we, voordat we op vakantie gaan of wanneer hij jarig
is. Kerst of Pasen. Dan gaan we met zijn allen.
I: Zou jij vaker daar naar toe willen, of minder vaak. Vind je het
goed zo?
C: Ik zou wel soms wat vaker willen. Ja.
I: Want je gaat nu, hoe vaak?
C: Iets van tien keer per jaar.
I: Kun je daar iets meert over vertellen?
C: Soms gaan Kenneth en mam alleen. Misschien gaan Chris en Ciara
ook mee. Een paar keer gaan wij ook mee, met zijn allen. Daarom
zou ik wel vaker willen. Kenneth en mam gaan steeds meer naar Rico
dan wij.
I: Zou jij net zo vaak willen gaan, als zij?
C: Niet zo vaak.
I: Gaan zij erg vaak?
C: Ja
.. Bijna elke zondag en woensdag.
I: Zou je dan mee willen
C: Ja. Woensdag kan ik niet. Want dan gaat ze meteen na haar werk
door naar Rico.
I: Heeft ze wel eens gevraagd of je mee gaat?
C: Nee. Ik vraag het zelf meestal. En dan kan het niet.
I: Hoe komt dat?
C: Druk denk ik.
I: Maar je vraagt het wel aan haar.
C: Ja.
I: Je moeder gaat iedere week. En Kenneth
..
C: Die gaat elke keer wanneer zij gaat. Want ze gaan met de auto.
I: Gaan ze samen
.Twee keer per week gaan ze daar naar
toe.
C: Soms gaat Kenneth niet, woensdag. Want soms moet hij later werken.
I: Als de begraafplaats open is kunnen ze er naar toe. Dat hangt
er een beetje van af. Kun jij dat aan ze merken, als ze daar geweest
zijn?
C: Nee, niet zo
.
I: Nee?
C: Alleen van Kenneth. Hij gaat gewoon van zn werk, dat is
dicht bij. En van mn moeder is zo dicht bij Rico, dat ze daar
gewoon naar toe kan gaan.
I: Waarom doet ze dat, denk je, je moeder?
C: Om te kijken, wat er allemaal is gebeurd, en om te kijken hoe
het allemaal gaat daar.
I: Waarom wil je zelf naar de begraafplaats?
C: Om ook te kijken. Gewoon.
I: Als je nu geweest bent op de begraafplaats, dan word je verdrietig,
vertel je net. Hoe voel je je dan daarna?
C: Niet zo leuk.
I: Ook verdrietig.
C: Een beetje, ja.
I: Het is natuurlijk ook verdrietig
I: Je bent nu een grote vent aan het worden. Maar met name Kenneth
is heel erg verdrietig. Heb jij dat gevoel ook?
C: Soms wel, en soms niet.
I: Waaraan kun je dat zien bij hem?
C: Soms als hij ietsje rustiger is. En als hij een beetje veel dingen
doet, dan niet.
I: Is Kenneth heel erg veranderd?
C: Nee.
I: Zijn er andere dingen die nu heel anders gaan, nu Rico er niet
meer is.
C: Chris is de laatste tijd steeds meer alleen. En Ciara slaapt
de laatste tijd, steeds meer bij mijn moeder en vader.
I: Vroeger was dat niet zo?
C: Nee.
I: Nou puur voor jezelf. Wat is er voor jou veranderd?
C: Voor mij
. Voor mij is er niks veranderd.
Nee.
I: Ook niet op bepaalde dagen
.
C: Jawel, soms wel. Soms gaan we gewoon ergens naar toe. Op vakantie,
zonder
..
I: Is dat moeilijk?
C: Ja, we gaan ook met een andere auto. Zeven personen, eerst was
het met acht personen.
I: Kun je dat met je moeder bespreken, dat soort dingen? Dat je
dat moeilijk vindt?
C: Soms praten we gewoon wel over dat soort dingen.
I: Waar hebben jullie het dan over?
C: Wat Rico deed.
I: Kun je er goed met je moeder over praten.
C: Ja.
I: Kan zij er zelf ook makkelijk over praten, denk je?
C: Nee.
I: Hoe komt dat, denk je?
C: Omdat zij het meest verdrietig is.
I: Waaraan kun je dat merken?
C: Aan haar zelf.
I: Aan wat voor dingen dan
C: Gewoon als ze rustig met ons praat, dan gaat ze soms ons roepen.
Dingen van Rico, wat allemaal gedaan is
..
I: Daar kun je dat aan merken
C: Ja.
I: Kun je dat ook nog aan andere dingen merken. Moet ze vaak huilen
.
C: Nee.
I: Praat ze er veel over
..
C: Ja, dat wel.
I: Ja, daar kun je het aan merken? En aan je vader?
C: Nee, met hem praat ik er nooit over.
I: Waarom niet?
C: Hij is meestal ergens anders of zo.
I: Is ie verdrietig je vader?
I: Nu ken ik jullie zo langzamerhand wat beter. Nu kan ik me zo
voorstellen, want jou moeder is echt heel verdrietig, dat als jij
verdriet hebt , het heel moeilijk vindt om dat tegen haar te zeggen.
C: Ja, want wij denken er soms anders over.
I: Hoe anders
..
C: Gewoon, zij denkt over bepaalde dingen van Rico, en ik over weer
iets anders.
I: Maar hoe denk jij daar anders over.
C: Ik weet niet wat zij denkt. Ik denk gewoon de dingen wat hij
allemaal deed.
I: Jij denkt dat je moeder anders denkt daar over.
C: Ja, van toen hij ziek was.
I: En daarom praat je er niet over.
C: Nee.
I: En je broertje, Referinio? Denkt die daar hetzelfde over.
C: Nee.
I: Ook anders?
C: Ja.
I: Hoe zit dat dan, vertel dat is? Dat weet ik helemaal niet.
C: Soms als mijn moeder en ik er over praten is hij soms erbij,
en soms ook niet.
I: En dat is anders.
C: Ja, want hij heeft misschien andere dingen over hem heeft te
zeggen, en ik ook.
I: En als jullie samen praten.
C: Dan wel hetzelfde, dan denken we hetzelfde.
I: Hebben jullie het er dan over om wel naar je moeder te gaan.
Of niet naar je moeder te gaan. Dat kan ik me zo voorstellen. Nee?
Echt helemaal nooit?
C: Zij doet dat zelf meestal.
I: Jullie bedenken nooit met ze tweeën hier in de jongenskamer
wat jullie er van vinden
..
C: Soms wel
ja.
I: Dat is dan toch wel wat anders, dan je ouders. Hoe anders is
dat dan?
C: Soms praat mn moeder over wat Rico zei, of zo. En Referinio
en ik, over wat hij deed.
I: En word je daar vrolijk van, of verdrietig?
C: Soms praten we over leuke dingen.
I: Komt het ook wel voor, dat je het erover wilt hebben, dat je
iets wilt zeggen, over Rico. Of dat je aan hem moet denken, hele
kleine dingetjes. Dat je eventjes aan hem moet denken en dat je
er eigenlijk iets over zou willen zeggen, maar dat dat niet gaat.
C: nee, soms wel en soms ook niet.
I: Denk je iedere dag aan hem?
C: Ja
. Vaak maak ik de kaarsen aan, en dan denk
ik ook erover.
I: En bij het graf, wat doe je dan?
C: Gewoon kijken, hoe het er is nou.
I: Zijn er ook nog andere dingen, die je doet voor Rico.
C: Nee. Wel soms een paar dingen maken of zo, en dan aan hem geven.
I: Hoe doe je dat?
C: Gewoon iets schrijven
. Maar soms maakt Deborah iets
van Lego en dat gaat ze bij hem zetten.
I: Bij het graf.
C: Ja.
I: En op zn verjaardag?
C: Dan gaan we met zijn allen eerst naar Rico. Dan gaat mn
moeder de duurste bos bloemen kopen.
I: Wil je zelf nog iets zeggen.
C: Nee.
I: Of waar je mee bezig bent, in je gedachten
.
C: Ja, wel wat er zal gebeuren, als ik ouder ben.
I: Ben je daar bang voor geworden?
C: Nee.
I: Wat vraag je je af dan?
C: Hoe het er uit zal zien bij zijn graf, als ik ouder ben. Wat
er dan is gebeurd.
I: Maar nou is Rico al heel jong dood gegaan, aan kanker
Denk je daar wel eens over na, over kanker?
C: Ja, daar het meest.
I: Daar denk je het meest over na
.
C: Ja.
I: Wat denk je dan ?
C: Over hoe hij in die rolstoel zat. Dat hij steeds moest overgeven.
I: Dat Rico ziek was.
C: Ja.
I: Moet je daar iedere dag aan denken?
C: Niet iedere dag, maar wel meestal.
I: Droom je er wel eens van
C: Soms droom ik ervan, dat Rico gewoon hier loopt. Of dat ie iets
aan het doen is, of dat we buiten spelen.
I: Wat betreft kanker
denk je daar wel eens
over na?
C: Ja. Want ze hebben nog steeds geen medicijn gevonden voor kanker.
I: Ben je bang dat je het zelf krijgt?
C: Soms wel en soms denk ik er niet aan.
I: Is het moeilijk om daarover te praten.
C: Daar denk ik nooit over na.
I: Praat je erover met je moeder?
C: Nee.
I: Nou ben ik wel benieuwd, want je schrijft toch wel eens briefjes
aan Rico?
C: Soms schrijf ik wel eens iets op een blaadje
. Of
dan teken ik iets voor m.
I: Heb je dat nog hier?
C: Nee.
I: Naar zn graf gebracht?
C: Nee, ik had eentje laatst hier gevonden, maar ik weet niet meer
waar het is.
I: En wat zijn dat voor dingen die je schrijft? Zijn dat gedichten
of verhalen.
C: Ja, gedichten.
I: En vraag je hem dan dingen, of hoe moet ik dat zien?
C: Nee.
I: Iets wat jij hem wil zeggen, gewoon. Geef eens een voorbeeld.
C: Soms maak ik dan een tekening voor m. Als ik een keer iets
heb gemaakt.
I: Deed je dat vroeger ook?
C: Nee.
I: Is dat veranderd?
C: Ja, want nu doe ik dat niet meer zo vaak.
I: Als je een gedichtje schreef, waar ging dat dan over?
C: Over Rico zelf.
I: Ja, wat vertelde je hem?
C: Ik vertelde niets. Ik ging gewoon iets rijmen. .
Terug
naar boven
|
|