| |
Zoey,
heb je spulletjes in je kamer, die je aan je vader doen denken?
Zoey:
zn pet heb ik, fotos,
Int: Wat is dat voor een pet
Zoey: Gewoon een pet, een gewone pet.
Int: Had ie die altijd op?
Zoey: Ja, bijna altijd. Hij had ook wel andere petten. Hij had die
meestal op.
Dat was zijn pet.
Int: Je vader was bakker.
Zoey: Kijk, die pet.(pakt pet). Kijk, hij is nog wel een beetje
vies, ik moet m nog steeds in de was doen.
Int: Heb je die van hem gekregen?
Zoey: Nee, van mijn moeder, mocht ik, zelf iets kiezen, wat ik wou.
Wel meerdere dingen
. Maar van petten. Want ze zei: wat
wil je graag. Ik wil graag een pet. Ze zei: dan mag je wel kiezen.
Ik heb die gekozen, omdat hij die altijd droeg. Ik heb ook zijn
horloge. Voor de rest allemaal fotos. Dat ligt ook allemaal
bij mijn moeder in de doos. Kettingen van hem, en ringen. Maar ik
heb wel zijn horloge. Die ligt ook bij mijn moeder, ja.
Denk je veel aan hem?
Zoey: Net zoveel als iedereen zou doen, als er iemand overleden
was.
Int: Heb je nog een bepaalde plek voor hem
.. in je kamer.
Bijvoorbeeld een foto, die je ergens bewaart.
Zoey: Ja ik eb een foto, van vroeger van hem, deze. Overdag heb
ik die daar. Maar s avonds, ligt deze knuffel naast mij. Dan
doe ik hem ook erbij. Doe ik hem, bij mijn foto.
Int: Dat deed je niet, toen pappa nog leefde.
Zoey:
had ik ook al fotos , toen deed ik ze er nog
niet in. Had ik die knuffel ook nog niet. Die heb ik voor mijn verjaardag
gekregen. Toen dacht ik, doe ik dat erin.
Int: Je loopt niet altijd aan hem te denken of om hem te huilen.
Kun je vertellen, wanneer dat extra moeilijk is?
Zoey: Op mijn verjaardag, toen is hij ook overleden. Op mijn zusjes
verjaardag, moeders verjaardag, zijn verjaardag. Op dagen, waar
je eigenlijk feest viert.
Int: Dus op de dagen, dat er feest gevierd wordt, heb jij verdriet.
Zoey: Ja, ik heb wel verdriet in me. Maar ze zien het niet. Ik feest
gewoon mee. Ondertussen, denk ik wel
.
Int: En waarom, zien ze het niet?
Zoey: Ik ga niet huilen of zo. Ik hoef ook niet te huilen. Ze zien
niet, dat ik verdrietig ben. Van binnen ben ik toch verdrietig.
Dan denk ik, het zou veel leuker zijn, als hij er zou zijn
..
Int: Maar je laat niet aan je vriendinnetjes zien, dat je verdriet
hebt.
Zoey: Gewoon verdriet. Niet dat ik moet huilen. Verdriet omdat hij
er dan niet is.
Int: Vind je het moeilijk om te huilen?
Zoey: (trekt haar wenkbrauw op) Nee, als ik huil, dan huil ik.
Int: Nou, zeg je, het is gebeurd op jouw verjaardag. Dat lijkt me
wel heel naar
Zoey: Toen wist ik het nog niet. Dat zag ik pas, toen ze de kaart
maakten. Ik dacht, dat het de volgende ochtend was gebeurd. Toen
wist ik het pas. Toen, was het helemaal erg. Het was al erg! Toen
helemaal!
Kon je dat vertellen aan iemand?
Zoey: Het was zo, mijn moeder vertelde het. Toen dacht ik, dat het
de ochtend was gebeurd, dat ik wakker werd. De familie was het kaartje
aan het schrijven. Ik mocht kijken, wat ze op hadden geschreven.
Toen zag iedereen, dat ik had gemerkt, dat het op mijn verjaardag
was gebeurd. Iedereen die toen in die kamer was, was daarbij.
Int: Ben je daarna, al weer eens een keer jarig geweest.
Zoey: Ja, in januari.
Int: Heb je het toen gevierd?
Zoey: Ja. Gewoon gevierd.
Int: Hoe was die verjaardag?
Zoey: Het was gewoon. Je ziet aan iedereen, dat ze het er wel moeilijk
mee hebben. Ik zie het niet echt, maar dat idee heb ik. Dat mensen
toch wat treuriger zijn.
Int: En, op zijn verjaardag, wat doe je dan.
Zoey: Hij is maar een keer jarig geweest, sinds hij is overleden.
Zijn lievelingskleur, was blauw. We hebben honderd blauwe ballonnen
met kaartjes eraan de lucht in gelaten. We hebben ook nog blauwe
ballonnen, om zijn graf gehangen. Dat hebben we gedaan, met de hele
familie. Met zijn familie, niet haar/ mijn familie. Waar die waren,
weet ik niet
..Ze waren er in elk geval niet bij. Zij kwamen
later, we hadden nog een paar ballonnen over. Zij hebben het later
gedaan.
Ga je, wel vaker, naar het graf toe?
Zoey: Ja. We hebben niet verplicht een dag. We gaan er gewoon naar
toe. Als we denken, we zijn er lang niet geweest.
Int: Je zegt net, dat je aan andere mensen, kunt merken, dat ze
verdrietig zijn. Ik weet dat je vader is overleden, op een donderdag
(Zoey trekt een gezicht van, weet ik veel), en toen moest je daarna
naar school toe. Dat is niet leuk hè?
Zoey: Nee, ik ben ook niet gegaan. Ik ben heel lang, vier of vijf
dagen, niet gegaan. Op een gegeven moment verveelde ik me zo. Ik
ging er steeds meer aan denken
Int: Het was nog kerstvakantie?
Zoey: Ja, ik dacht, ik verveel me, ik wil naar school. Toen ik ging,
wist de hele school, inmiddels, wat er was gebeurd. Het was dus
ook niet moeilijk om aan mijn vriendinnen te vertellen. Die begrepen
dat ik verdrietig was.
Int: Heb je de overlijdensadvertentie nog? Ben je daar niet mee
naar school geweest.
Zoey: Nee, niet de advertentie. Met zon briefje ben i naar
school geweest. Ik weet niet hoe dat heet. Een aankondiging van
de hele familie, dat je dan rondstuurt. We hebben het niet in de
krant gezet. Het moest allemaal via ons.
Wat is er toen gebeurd, met dat briefje?
Zoey: Dat hebben we nog. Toen hebben ze het opgehangen. Zodat iedereen
het kon lezen, hoefde ik het niet, aan iedereen te vertellen. Dat
briefje heb ik meegenomen naar school. Waar hij begraven lag, zijn
familie, hoe oud hij was geworden.
Zon briefje, hebben
we opgehangen.
Int: Had je het liever zelf willen vertellen?
Zoey: Het maakte mij niet zoveel uit.
Int: Je zegt net zelf dat je niet meer naar school bent geweest,
dat je niet meer wilde
..
Zoey: Ik dacht, dan ga ik zitten huilen. Ik wilde, dat ik het eerst
zelf begreep. We moesten ook van alles regelen. Ik dacht ik ga niet
naar school. Dan kan ik meehelpen dingen regelen, uithuilen en zo
met iedereen praten. Toen wilde ik echt naar school. Ik miste ook
iedereen, die me konden helpen. Niet, dat hun me niet helpten! Maar
mijn vriendinnen.
Int: Hebben je vriendinnen je geholpen?
Zoey: Ja, zeker.
Int: Je hebt ook een jonger zusje, Zinzy. Is zij er erg verdrietig
over/
Zoey: Nee. Ze praat er niet veel over. Ze zegt wel, dit heb ik van
pappa geleerd, dat heb ik van hem gekregen. Ze praat er niet over.
Int: En, als jij er naar vraagt?
Zoey: Dan zegt ze iets heel vrolijks. Niet, dat ze dan blij is.
Ik weet niet of ze dan verdrietig is, of niet. Ik kan het niet merken.
Heb je dat nooit gemerkt, aan haar?
Zoey: Jawel, op de dag zelf. Dat ze schrok. Andere dagen, of wanneer
iemand anders er iets over vraagt. Maar als ik dat zelf doe, dan
zie ik het niet.
Int: Vindt ze het moeilijk, denk je?
Zoey: Ik weet het echt niet. Als ik haar wat vraag, zegt ze gewoon
ja. Ik vraag niet vaak wat. Ik weet, dat ze toch iets zegt, dat
nergens op slaat. Ik kan niet echt veel vragen. Ik wil het wel
..
Int; En met je moeder
.?
Zoey: Ja, we praten
.. Ik weet niet hoe ik het moet zeggen.
Als je wat wilt vragen doe je dat, dan geeft de ander gewoon antwoord.
Het is niet zo van, nu gaan we erover praten. Dan vind je bijvoorbeeld
iets, dat je hebt gekregen
.. dan zeg je, dat heb ik van pappa
gekregen
.. zo gaat dat gewoon
Int: Kun je aan je moeder merken, dat ze er eg verdrietig over is.
Zoey: Misschien wel. Ik weet het niet. Ze is volgens mij, wel verdrietig,
maar
..
Int: Geen een keer?
Zoey: Ja op de dag. Het is echt op de dag zelf, dat ik het van iedereen
merkte. Voor de rest van de dagen. Een paar nachten wel. Een paar
dagen dat ik dacht, ja. Maar s middags, als ik uit school
kom, merk ik het niet.
Int: Het leven gaat gewoon door
.
Zoey: Ja. Met alles.
Int: Vind je dat nou prettig zelf, of zou je het fijn vinden, om
het eens wat vaker te hebben?
Zoey: We hebben het er met zijn drieën over gehad. Zo, wouden
wij het gewoon.
Wat voor huiswerk heb je?
Zoey: Ik heb een repetitie over Australië, Nieuw- Zeeland en
de oceanen daar omheen. Dan krijg ik het op een briefje. Dan schrijf
ik het in mijn schrift op een rijtje, dan leer ik het in mijn bed
uit mijn hoofd.
Int: Kun je goed leren.
Zoey: Ik kan wel goed leren. Maar, ik concentreer me nooit goed,
op wat ik moet doen. Dan heb ik een repetitie, dan weet ik de helft
wel. Heb ik wel goed geleerd. Dan ben ik zo bang, dat ik geen goed
cijfer haal, dat ik dan heel veel oversla. Op school vind ik zelf,
dat ik niet zo goed leer.
Int: Je gaat nu naar een andere school.
Zoey: Ja.
Int: Is wel een hele overgang voor je.
Zoey: Ik verheug me er wel op, lijkt me wel leuker.
Int: Je vader kwam je vaak uit school ophalen. Hielp hij je ook
met je huiswerk bijvoorbeeld?
Zoey: Toen had ik nog geen huiswerk, dat kreeg ik pas in groep acht.
Soms moest ik wat leren, dat deed ik zelf.
Jou vader, was heel bekend op school
.
Zoey: Van andere klassen ook wel, maar van mij het meest.Vooral
de jongens. Meisjes ook. Maar de jongens meer, die stoeiden
.
Int: Ze kenden hem allemaal. Dat was heel gek, toen hij er ineens
niet meer was.
Zoey: ze geloofden het eerst niet zo. Je maakt een grapje. Ik zei,
het is echt1 Toen zeiden ze er opeens helemaal niks meer over.
Int: Hoe vond jij dat?
Zoey: Maakt mij nou uit. Nu als ze iets willen vragen
Int: Zoals wat.
Zoey:
.. heeft je vader dit wel eens
gedaan. Vroeger. Wist je nog dat je een vader had. Dat soort dingen.
Een jongen uit mijn klas, die praatte altijd veel met mijn vader.
Die vraagt nog het meest naar hem. De jongens deden alles met hem,
maar de meisjes vragen naar hem.
Int: En, de juf?
Zoey: Nee, de juf niet. Ik heb nu een andere juf. Die andere juf,
heeft het niet echt meegemaakt. Die wou een andere groep. Ze vond
ons te druk of zo. Maar, die andere juf heeft niet meegemaakt hoe
ik toen was. Soms vraagt ze wel eens dingen
.. Nee,
..
Niet echt, nee.
Aan wie heb je nou de meeste steun?
Zoey: Van school? Iedereen eigenlijk.
Int: Je hebt wel het gevoel dat je alles kunt zeggen. Wanneer er
iets dwars zit of je het moeilijk hebt
. Wanneer de school
uitgaat, en je ziet andere vaders. Heb je dat daar dan niet heel
moeilijk mee?
Zoey: Nee, ik ren naar mijn moeder en ik let er niet echt op. Soms,
helemaal op het begin. Vond ik het wel raar. Ik vind het wel heel
erg. Maar, het wordt steeds minder, dat ik eraan ga denken. Ik ben
het eigenlijk gewend.
Int: Je hebt een foto onder je kussen, kun je anders niet slapen?
Zoey: Jawel! Ik heb heel veel spulletjes onder mijn kussen liggen.
Gewoon een ideetje. Vind ik leuk, als dat er ook bij ligt.
Int: Denk je veel aan hem, als je in je bed ligt.
Zoey: Ja, ja, ik denk veel aan hem. Maar ik ga niet helemaal zitten
nadenken wat er zou gebeuren als hij er was. Ik denk wel aan hem,
maar niet een heel verhaal.
Int: Kun je wel goed slapen?
Zoey: Ja. Nee, soms krijg ik nachtmerries, dat andere familieleden
dood gaan. Niet over hem. Dan kan ik gewoon slapen. Als er heel
veel gebeurd is, dan moet ik daar over dromen.
Int: Wat doe je dan?
Zoey: Dan ga ik naar mijn moeder, dan huil ik even en dan ga ik
weer naar bed.
Wat zit er in dat doosje?
Zoey: Er zit een ketting in, van mijn vader. Een zilveren hartje.
Met een foto erin. Die draag ik vaak naar feesten. Mijn zusje heeft
het ook. Het is heel zwaar als je hem om je nek hebt
.. Dus,
ik draag hem niet naar school. Ben ook bang, dat ik hem kwijt raak,
alleen naar feesten
.
Int: Wat ligt er nog meer onder je kussen?
Zoey: hier is een boekje. Als iemand een geheimpje verteld, dan
schrijf ik het stiekem op. Dit heb ik een keer gevonden, achter
mijn bed. Een pen om in mijn boekje te schrijven. Een zaklantaarn
als ik s nachts iets wil pakken, of wanneer ik niet kan slapen
dan kan ik gaan spelen. Hier kan ik een spelletje op spelen, voetbal.
Een foto wou ik gewoon onder mijn kussen hebben. Een idee, om m
dubbel bij me hebben. Ik heb dit (ketting) en dit(foto) en die foto
in mijn knuffel.
Int: Wanneer, heb je die foto daar neergelegd?
Zoey: Een paar weken terug. Toen dacht ik er ineens aan. Mijn vriendin
doet het ook. Zij doet het, omdat ze heel snel heimwee krijgt. Toen
dacht ik, dat vind ik bij mijn vader heb ik m daar bij gelegd.
on: Dat doen ze niet ( lacht ).
Kelly: Nee, helaas niet. Zinzy, dat zeg ik laatst, toevallig Zinzy.
Terug
naar boven
|
|