Welkom

Over de stichting

Achtergrond & doelstelling

In de pers

Nieuwsbrief

Donaties

Contact

Zelfdoding

DVD 'Maar ik ben...'

DVD 'Afscheid'

Overleden moeder

Overleden vader

Overleden kind

 

Bestelpagina

Voorlichtingsprogramma

Rouwprotocol

Rouwhulp

Gedichten

Catalogus

Links

 

Ons email adres is:

kindenrouw@planet.nl

 

Deze website is ontworpen en gebouwd door ddc amsterdam

 

Aantal bezoekers sinds
1 februari 2004:


Laatste update was op:
14 april 2012

 
   
   


Interview met familie Smits

 
  Lenie - moeder
Ben - vader
Kelly - dochter
Patrick- vriend van Kelly


Int: Kun jij me vertellen, wat er met je is gebeurd?
Lenie: Drieëneenhalf jaar geleden werd ik opgenomen in het ziekenhuis, omdat ze dachten dat ik een gezwel aan de eierstokken had. Blijkt dus achteraf dat ik weliswaar een gezwel aan de eierstokken had, maar er zat ook een gezwel op de blaas van twintig bij dertig centimeter. Ze dachten toen dat, dat buikvlieskanker was. Twee jaar geleden hebben ze het heronderzocht, omdat ik iedere keer een dikke buik bleef houden. Blijkt het dus een verwant van asbest in het buikvlies te zijn. Dus ik heb kanker.....
Int: Wat dacht je toen je dat hoorde?
Lenie: Op het moment dat ik dat hoorde dacht ik, verkeerde diagnose, verkeerde patiënt, dat kan helemaal niet. Een dag later realiseer je, je dat pas. Als je goed bij bent. En dan stort je wereld in.
Ben: Letterlijk.
Lenie: Ja.
Kelly: Het eerste wat wij dachten was, dat ze baarmoederkanker had, toen ze bijkwam. Dat is het eerste wat wij hoorden.
Int: En hoe hoorde jij dat, Kelly?
Kelly: Ze lag op de recovery. Mijn vader en ik zijn daar ’s avonds naar toegegaan. En het eerste wat mijn moeder zei, ze was half bij; het is m’n baarmoeder, ze hebben m’n baarmoeder eruit gehaald. Dat is wat wij toen hoorden, dus wij dachten baarmoederkanker, eigenlijk denk je, oh het is verholpen. Maar dat was dus niet zo. Dat is wat wij als eerste dachten, hè pap.
Ben: Ja.
Kelly: Pas de volgende morgen, wisten we eigenlijk meer.
Ben: Toen ik Stoot geschrokken haalde, wisten we inderdaad meer.
Int: Want wat zei Stoot toen?
Ben: Nou, Stoot houdt eigenlijk het gezag, wie nog zo half suf was, en daar zijn we eigenlijk een beetje boos om geworden. Want A, zeg je dat niet tegen een patiënt die uit een narcose komt, vind ik.En B, wisten ze dat ik beneden in het restaurant zat, dus hij had mij dat mede kunnen delen. Hij had me gewoon, maar hij was beïnvloed door een collega van ‘m, die zei, dat moet je vertellen, dat kun je niet gelijk verzwijgen. En toen hebben we de dag daarop, ’s morgens een gesprek met Stoot gehad. En daar heeft hij z’n excuses aangeboden. En uitgelegd, niet heel precies, maar eigenlijk in groffe lijnen uitgelegd, wat er nou gaat gebeuren, en wat het is. Wat hij dacht, toen, dat het was. En uitgelegd hoe dat in elkaar zit, dat je je een voorstelling kunt maken van, wat is het. De uitleg is , moet ik zeggen wat dat betreft, van Stoot, zeer goed geweest. En dat gaf me geen gerust gevoel, maar als je geconfronteerd word met kanker..... En hij zei ook, het is te genezen, maar dat ligt eraan hoe de patiënt reageert. Dat gaf mij de geruststelling, in ieder geval de hoop van, ja er is toch nog wat aan te doen. En daarna heeft hij ons, het hele traject eigenlijk goed begeleid, moet ik zeggen.
Kelly: Hij heeft eigenlijk heel simpel uitgelegd van, rijstkorreltjes die over de buikwand zijn verdeeld.
Ben: Ja, heel simpel, in hele menselijke taal. Heeft hij het uitgelegd. Want, zelfs toen we, dik anderhalf jaar daarna, zaten we op de POK.
Int: Wat is dat?
Ben: De POK is een poliklinische operatie kamer. Daar word je aan je vinger gehecht, of als je een klein dingetje aan je oog hebt, of eigenlijk een operatie van vijf, tien minuten of een half uurtje. En toen moesten we, op wie moesten we ook al weer wachten...?
Lenie: Op Alie Ramen.
Ben: Ooh ja, op Alie Ramen. En toen heeft hij op de POK uitgelegd, hoe nou eigenlijk, in heel simpele bewoordingen, kanker ontstaat. Hij zei, dat moet je zien als een heleboel boefjes die rondlopen. En als je nou genoeg agenten hebt, kun je die boefjes opruimen. Maar als je agenten tekort komt, krijg je steeds meer boefjes. Die boefjes, die verspreiden zich, en zo moet je dat eigenlijk heel simpel zien. Toen daarna, na iedere keer dat vocht aftappen, zou ze weer voor een verzakking op de operatietafel liggen. Toen heeft hij eigenlijk ontdekt, dat het iets anders moest zijn dan buikvlieskanker. Toen heeft hij het nader laten onderzoeken. In Roermond, Maastricht, Amsterdam en in Bochum. En die waren alle vier tot de eensluidende conclusie gekomen, dat het een verwant was van asbestkanker. En hoe dat komt, weet niemand. Weten we nu nog niet.....
De poes onderbreekt het gesprek even.
Int: Lenie, dat is een aantal jaar geleden, dat is het begin van je ziekte geweest, op een gegeven moment kreeg je te horen dat het heel ernstige vormen heeft aangenomen.
Lenie: Ja.
Int: Wat ging er toen door je heen, hoe voelde dat?
Lenie: Hoe dat voelt? Je bent ter dood veroordeeld en je zit te wachten in de dodencel. Zo voelt dat. Je mag wachten totdat je dood gaat. Ik voelde me een veroordeelde, die moest wachten in de dodencel.
Int: En nu?
Lenie: Nu ook. Zo voel ik het nog..... Ik voel me veroordeeld, en ik heb niks gedaan. Zo voelt dat.
Int: Heb je dat ook verteld aan Kelly, aan je dochter?
Lenie: Weet ik eigenlijk niet.
Kelly: Jawel.
Int: Ja, hoe heeft ze dat verteld Kelly, aan jou?
Kelly: We hadden het er regelmatig over, toen zei ze dat. Op eigenlijk een normale manier.
Int: En hoe is dat voor jou?
Kelly: Ja, het is drie jaar geleden en het eerste wat je dan denkt is, ze gaat dood. Dat is het eerste eigenlijk wat je denkt. Kanker associeer je altijd met dood. Je hoort zo veel verhalen, die gaat dood aan kanker, die gaat dood aan kanker. Je hoort amper wat genezen is geworden. Dus dat dacht ik wel, ze gaat dood. Achttien jaar, en dan zonder moeder, dat denk je als eerste.
Int: En hoe denk je nu?
Kelly: Hetzelfde ja, eenentwintig en dan zo vroeg zonder moeder. Dat is eigenlijk veel te vroeg. Nou ben ik gelukkig zelf ....... Ik moest in heel vlug tempo volwassen worden. Dat wil niet zeggen, dat ik nou oh zo volwassen ben, maar het moest wel in een heel vlug tempo. Ik werd eigenlijk met de neus op de feiten gedrukt, ja je moet. Anders had je nog, pappie en mammie, och, die helpen wel. Dan moet je echt in een heel vlug tempo volwassen worden.
Int: Het klinkt alsof je ook in een onbewust snel tempo afscheid van haar hebt genomen.
Kelly: Ik denk dat je dat onbewust, toch doet. Dat doe je onbewust toch.
Int: En hoe gaat dat?
Kelly: Je vertelt haar niet meer alles. Zoals rijles. Dat Patrick rijles gaat doen. Normaal zou je dat wel vertellen, maar dat vertel je dan niet. Onbewust, maar je sluit je toch af. Je kunt er eigenlijk niet echt tegen.
Ben: Ik denk niet dat, dat alleen van Kelly komt. Kijk, ik ben bijna vijfentwintig met haar getrouwd. Ik heb een paar weken geleden op een verjaardag gezegd, het mooiste wat ons wordt afgenomen... Want we zouden als we vijfentwintig jaar getrouwd zijn, zouden we naar Amerika toe gaan. En......................
Ben valt nu even stil, begint te huilen en is zichtbaar aangedaan. Hij vervolgt op deze wijze het gesprek........
Ben: Soms, dan ja.... Natuurlijk, ik kan..... In bepaalde opzichten kan ik me niet in haar verplaatsen. Dat kan niet. Maar in bepaalde opzichten wel. Kijk, zij wordt het hardste getroffen, ja, want ze is er straks niet meer................ En dan zeg je soms dingen... Die hard aankomen....... Maar ik denk dat, dat gewoon, uit onmacht is. Je wil wel............... maar je kan niet! ................. Het is een gevecht tegen de bierkaai. Je hebt totaal geen middelen, om nog te helpen, of........ haar te steunen. Daar kun je af en toe gewoon....... de fut niet voor opbrengen. Omdat je de afloop weet................ Of ja, de fut, je weet het gewoon niet. Het is inderdaad wat Lenie zegt, iemand die in Amerika ter dood veroordeeld is, die weet wat ie geflikt heeft. Maar zij heeft niks gedaan. Altijd hard gewerkt, gemiddeld zeventig uren per week, buiten het huishouden. We zijn met zijn tweeën uit een heel diep dal gekomen, uit een financieel diep dal. We hebben van alles meegemaakt en net nou er weer geoogst kan worden, mag ze niet meeoogsten, en dat is toch heel erg........heel erg wrang. Kelly is groot, dan kunnen we eindelijk eens weer, dachten we dan, van het leven gaan genieten, ik weet het niet........ letterlijk gedacht........is ‘t voorbij. Het klinkt cru, maar het is zo. ............. Wat dat betreft ben ik blij dat ik m’n werk nog heb. Want ik geloof dat als ik m’n werk niet meer had, konden ze ons samen wegbrengen. Want het is niet alleen voor haar een martelgang, maar voor mij ook.
Int: Denk je veel aan de tijd nadat zij dood is?
Ben begint te snikken.
Ben: Normaal gesproken, tot eigenlijk vorig jaar, begin vorig jaar, gingen we eigenlijk bijna altijd samen naar bed. Vanaf juli dat ik het wist van Wecksteff, dat er niks meer aan te doen is, kon ik het niet meer opbrengen..... om samen met haar naar bed toe te gaan. Ten eerste omdat ik mijn gedachten een beetje af wou schakelen, en iedere avond als ik naar boven toe ga, en vooral de laatste tijd doordat ze wat meer slaap gebruikt, dan hoor ik ‘r niet, dan lig ik nog een uur, anderhalf uur wakker van, wat kom je zo meteen tegen boven. De angst dat ze er niet meer is......... Ik slaap ook heel onrustig. Maar in mijn ogen is dat normaal. Ik geloof niet dat iemand, in dit opzicht, een goede nachtrust zou hebben. Maar dat interesseert me niet. Dat vind ik niet zo belangrijk. Maar iedere avond als ik naar boven ga, denk ik, hoor ik haar nou...nee, shit. Even voelen ,ja ze is nog warm. En dan in één keer draait ze zich om en dan hoor je gnrrrrrrr, of een zucht. Oh gelukkig, ik kan gaan slapen. Dat is eigenlijk het grootst straks. En vooral nu de laatste tijd, nu ze hard achteruit gaat, wordt die angst alleen maar groter.
Int: Lenie, heb je het daarover, met je man, over de angst en het verdriet?
Lenie: Ja, zeer zeker de laatste twee maanden. De ene keer kan ie praten en de andere keer kan ie niet praten. De ene keer heeft ie zin en de andere keer heeft ie geen zin.
Int: En jij?
Lenie begint te huilen.........
Lenie: Nou....ik heb een hele grote angst.......... omdat je niet weet wat dood is. Ik ben ook bezorgd om hem. Als ik er niet meer ben. Kelly heeft haar eigen leven, die redt zich wel, maar......... Vijfentwintig jaar langheeft hij zich aan mij opgetrokken en, hij zal nu zijn eigen weg moeten zoeken. En of hij die vindt, dat weten we niet. Ik hoop het voor hem en ik hoop dat hij toch nog gelukkig wordt. Dat hoop ik wel voor ‘m. Ik denk dat we die angst allemaal hebben. Dat denk ik.............
Ben tegen de interviewer.
Ben: Jij vroeg net aan Kelly wanneer je afscheid moet nemen. Ik denk niet dat je het woord afscheid moet zeggen. Ik denk beter dat je kunt zeggen, dat je er afstand van moet nemen. Ik denk inderdaad wat je zegt van, kijk we weten wel dat het komt, ik denk dat je, ik spreek nu voor mezelf, dat je in je onderbewustzijn, de tijd krijgt en er rekening mee houdt, dat het iedere keer gebeurd kan zijn. Dat ben ik wel met je eens. Maar ik denk precies aan de woorden echt afscheid nemen, of afscheid aan het nemen, dat je dat niet kunt zeggen. Ik denk dat, dat iets is wat naderhand komt. Ze is er nog steeds. Echt afscheid, wel in bepaalde dingen afstand. En ik denk ook, wat ik net al zei, bepaalde dingen wat de zaak betreft en zo, vertel je eigenlijk niet meer, het is niet dat ze er geen deel meer van uitmaakt, maar ze heeft al sores genoeg van zichzelf aan d’r hoofd. En als je haar nou met sores van andere dingen...., opzadelt is weer zo’n groot woord, maar vertelt, dan gaat ze zich daar, terwille van mij, ook nog druk om maken. Ze heeft genoeg aan haarzelf. Daarom vergeet je gewoon dingen, expres eigenlijk te zeggen.
Kelly: Omdat je haar er niet mee wil belasten.
Ben: Nee, je wil haar er niet mee belasten.
Int: Ja, is dat zo.....
Kelly komt nu in beeld samen met haar vriend Patrick.
Kelly: Ja, helemaal omdat ze al genoeg sores aan d’r kop heeft. Dan gaat ze zich daar ook nog druk om maken, terwijl je moet eigenlijk je eigen problemen maar eens oplossen. Zo denk ik.
Int: Kunnen jullie wel, dat zie ik nu eigenlijk wel, samen verdrietig zijn erover?
Kelly: Ja, alleen ik ben niet meer zo vaak thuis. Dat we hier zo samen met z’n drieën zitten, is sowieso zelden. Ik heb ook veel werk en het schiet er heel vaak bij in.
Int: Je bent in het begin heel erg betrokken geweest, hè?
Kelly: Maar toen woonde ik nog thuis. Dat is automatisch. Nu, woon ik op mezelf, heb een eigen leven. Je richt je ook op de toekomst. We zijn nog jong. Dat wil niet zeggen dat m’n moeder oud is, dat zeg ik niet, maar we moeten verder. Het klinkt hard, maar we moeten wel verder. Het heeft ook geen zin als ik dadelijk in de kist naast haar lig......... Wel dan.
Lenie: Nee, maar je hebt vandeweek tegen mij gezegd, je hebt geen zin om altijd over kanker te praten.
Kelly: Ja klopt. Heb ik ook gezegd.
Lenie: En daarom kwam je niet meer.
Kelly: Daarom kom ik ook niet meer, nee. Ik wil ook wel eens over koetjes en kalfjes praten.
Lenie: Maar dat gebeurt ook wel. Nu denk jij altijd dat er altijd over kanker gepraat wordt.
Kelly: Nee, dat is niet waar. Er wordt niet altijd over kanker gepraat.
Lenie: Maar jij kan het uitschakelen en wij niet. Wij zitten er vierentwintig uur per dag mee.
Kelly probeert haar moeder te interrumperen.
Lenie: Samen erover praten kun je niet.
Kelly: Met pappa praat ik er wel over, met Patrick ook.
Lenie: Maar ik ben degene die het heeft. En met mij wordt niet gepraat.
Kelly: Nee, want als ik bel, wordt er ook alleen maar over kanker gepraat.
Lenie: Dat zeg jij.
Kelly: Het is zo.
Ben: Maar ergens is dat niet meer dan logisch.
Int: Wordt het te veel voor jou, Kelly?
Kelly: Dan wordt het te veel, ja.
Ben: Te veel ja.
Kelly: Ik wil daar geen vierentwintig uur mee geconfronteerd worden.
Int: Heb je het een plekje gegeven?
Kelly: Ja, ik denk het wel......
Int: Maar kun je aan je moeder vertellen, wat voor plekje dat is?
Kelly: Weet ik zelf nog niet eens. Ik heb het niet afgesloten ofzo, dat zeker niet. Maar........ om er vierentwintig uur per dag mee geconfronteerd te worden, daar heb ik inderdaad geen behoefte aan.
Kelly heeft het er heel erg moeilijk mee, en moet ondertussen huilen........
Kelly: Voor mij is er nog iets anders als alleen maar dood gaan. Alleen maar... of als doodgaan. Ik ben pas eenentwintig.
Int: Patrick jij woont samen met Kelly, wat merk je aan haar?
Patrick: Ja, het ene moment merk je dat ze er heel erg mee zit, en is ze stil. Meer teruggetrokken en dan moet je de woorden eruit halen. Maar, het andere moment dan denkt ze er volgens mij wat minder aan, dan is ze druk bezig, druk, druk, druk. Dan heb je dat ze er wat minder over praat. Maar dat verschilt weer per periode heel erg.
Int: Voel jij dat aankomen, zo’n periode?
Patrick: Soms wel, soms niet. Soms komt het heel geleidelijk aan en de ene keer is het ook opeens van pats boem, en dan is ze in één keer down. Dan merk je het ook meteen aan d’r.
Int: Probeer je te troosten ook?
Patrick: Vaak wel, we praten er ook vrij over. Dat is ook wel belangrijk.
Int: Ja Kelly, heb je ook veel steun aan Patrick?
Kelly: Ja, gelukkig wel.
Patrick: Het is behoorlijk geweest, laat ik het zo zeggen.
Kelly: Ja.
Int: Jullie kunnen dat samen wel dragelijk maken.
Patrick: We proberen het zoveel mogelijk.
Int: En waar hebben jullie het dan over, als ik vragen mag?
Patrick: Alles. Af en toe reageert ze best laconiek, best hard. Dat ik zeg, dat kun je nou wel zo zeggen, maar dat komt nog wel. De klap komt nog wel. De ene keer is ze er weer heel gevoelig over en dan praten we voornamelijk over hoe ze zou reageren als Lenie daadwerkelijk komt te overlijden. Daar reageert ze zelf nog best wel verschillend over.
Int: Weet jij dat Lenie, dat ze het daarover hebben?
Lenie: Nee, want ze vertelt niks meer. Ze vertelt helemaal niks. Vaak heb je het gevoel, je leeft al niet meer. Want je wordt toch nergens meer deelgenoot van gemaakt. Overal word je buitengesloten. Dus ik weet dat allemaal niet.
Int: Het is een hele nare vraag van mij om die te stellen, maar hebben jullie het over de begrafenis gehad, of de crematie?
Lenie: Ja.
Kelly: Maar nou weet je niet wat je moet.
Lenie: Ik zit nu te twijfelen. Over crematie of een begrafenis.
Ben: Ze is misschien aan het twijfelen gekomen, ze heeft aan mij gevraagd, hoe zou jij het willen. Ik zei, als ik er straks niet meer bent, ik wil überhaupt geen bloemen. Ten eerste zie ik ze niet, ten tweede vind ík het ergens gewoon een geldklopperij. Degene die afscheid van me willen nemen, die komen graag, die hoeven niks mee te nemen. Alleen de aanwezigheid vind ik genoeg. Wat dat betreft hebben we wel één lijn, we willen het gewoon simpel houden. Toen vroeg ik, waarom wil je dan gecremeerd worden? Nou, ik wil niet anderen met de last opzadelen, dat ze naar het graf toe móeten komen. In mijn ogen, denk ik, dat ze er toen wel anders is over gaan denken. En toen heb ik gezegd, je moet niet denken dat ik het ten opzichte van jóu een opgave vind. Ik niet. Maar voor Kelly misschien straks wél.
Int: Is dat zo Kelly?
Kelly: Weet ik niet. Ze heeft ook gevraagd, zou je m’n graf verzorgen, weet ik niet. Misschien emigreer ik wel naar Amerika, weet ik het? Ik kan ook niet in de toekomst kijken. Ik ben zelf heel impulsief. Dus als ik vandaag bedenk, ik ga naar Amerika, ga ik morgen naar Amerika, bij wijze van spreken. Dus, ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Ik kan wel zeggen ja, ik kan wel zeggen nee, maar dan zou ik erom liegen. Ik weet het niet.
Ben: Lenie heeft ook een bepaalde angst tussen begraven en cremeren zeg maar. Ja zegt ze, dan ben ik er helemaal niet meer. Ja, dan zeg ik, luister, straks in het graf ben je er ook niet meer. Straks ligt er ook niks meer als knoeg (botten). En over een aantal jaren ligt er eigenlijk helemaal niks meer in.
Kelly: Maar dan heb je wel een plekje om naar toe te gaan.
Ben: Kijk, dat is wat ik uitgelegd heb, dat heb je bij een crematorium ook. In de vorm van een gedenkplaat waar je urn achter staat. Dus dat op zich, is eigenlijk hetzelfde.
Int: Wat denk jij, Lenie?
Lenie: Ik ben er nog niet uit of ik begraven of gecremeerd wil worden. Aan de ene kant heb ik zoiets van als ik begraven ben, hebben ze een plekje waar ze naartoe kunnen. En aan de andere kant heb ik bij m’n zwager gezien hoe het op een crematie kan toegaan, en dat vind ik ook niks.
Kelly: Alle bloemen waren meegepikt. Meegenomen.
Ben: Nou, als je ziet, vorig jaar hebben we de zuster van m’n vader gecremeerd, en dat was een hardstikke mooie crematie. Of niet? Zo kan het ook. Ik vond het in Geleen, ja het is stom gezegd, maar het is een grafkelder waar je naar binnenkomt, daar word je depressief, als je daar komt. Zo koud, kil, donker. Als ik het dan vergelijk met Heerlen en ik vergelijk het met Uden. Dan moet ik zeggen, Heerlen wordt nu opgeknapt, Uden daar straalt licht, stom gezegd, maar het is er ook nog gezellig. Dat klinkt stom misschien, maar je hebt er ondanks dat je afscheid van iemand neemt, niet erna, niet als de crematie geweest is, maar ook tijdens de crematie, eigenlijk niet het idee van ik ben in een crematorium. Alles was wit, eigenlijk een beetje ziekenhuis achtig, en toch sfeervol. Dan denk ik, als ik in zo’n entourage afscheid kan nemen, daar teken ik voor. Dat wordt wel dertig jaar uitstellen, maar dat is iets, dat hebben we niet in de hand. Ik heb haar gewoon mijn opinie gegeven, hoe ik het graag wil hebben. Ik heb het niet eens op papier staan, dat niet.Eigenlijk zou je dat wel moeten doen, want je wordt er nu heel hard mee geconfronteerd. En je ziet dat het nu plotseling, in één keer heel snel met je gebeurd kan zijn. Uit die overwegingen zeg ik, ik wil niet begraven worden. Iemand die straks naar m’n urn wil komen kijken, die komt en die komt ook van ik wil ‘m nog eens een keer zien. Of van mijn part tegen die stomme steen staan te lullen. Nou is dat op een graf natuurlijk precies hetzelfde. Maar ik zeg altijd maar zo, dan moet je gaan, want het graf moet verzorgd worden. En nu heb je niet de verplichting, ik moet de urn of het gaan verzorgen. Ik denk, dat de spontaniteit van het gaan groter is dan een urn en een gedenksteen, als naar het graf. Dat is mijn opinie.
Int: Je vader heeft er wel goed over nagedacht, hè? Heb je het er met hem over gehad?
Kelly: Ja, we hebben het erover gehad. Wat ik wou. Ik heb misschien een heel raar idee, maar begraven nee, daar komen die wormen uit, daarom wil ik niet begraven worden, dat vind ik gewoon smerig. Het idee alleen al. Daarom wil ik niet begraven worden.
Int: En wat betreft je moeder?
Kelly: Ja, als wij niet weten wat ze wil. Als ze zelf gaat twijfelen. Kan ik me wel voorstellen, als je ziet hoe een crematie is of een begrafenis. Dan moet je de voors en tegens afwegen eigenlijk.
Ben: Ik heb tegen haar gezegd, je moet gewoon je gevoel volgen. Wat wil je zelf. Mij interesseert het niet, wat ze doet. Het is haar keuze
Lenie: Dat is ook zo.
Ben: Ik respecteer net zo goed haar keuze, als dat ik zeker weet, zonder dat ze antwoord geeft, dat ze mijn keuze ook respecteert. Dat is bijna, oh nee, we zijn nu al vijfentwintig jaar samen, leer je elkaar wat dat betreft gewoon kennen. Dat is wederzijds, daar hoef ik haarr ook niet eens voor aan te kijken, dat weet ik gewoon. Of ze het wil beamen, dat weet ik niet. Dat is gewoon zo, dat weet ik.
Int: Lenie, en als je dit nu zo hoort, wat zijn je twijfels dan?
Lenie: Wat mijn twijfels zijn.. Ik ben bang, als ik zo meteen begraven word, dat mijn graf niet onderhouden wordt. Van de andere kant, als je gecremeerd wordt, heb je geen plekje meer waar je naar toe kan gaan. Op dit moment weet ik het effe niet meer. Van de ene kant zeg ik...........
Lenie begint te huilen......
Lenie: ..........van een begrafenis, ik heb ‘m verdiend....... Ik heb genoeg m’n best gedaan voor alles. En ik heb gewoon een waardig afscheid verdiend. En ik vind, bij een crematie, dat is een kwartiertje en je bent toch wel vergeten. En dan kunnen ze wel zeggen, ja maar we vergeten je niet, maar binnen een paar maanden is iedereen weer met z’n eigen leven aan de gang en ik ben vergeten. En ik vind, als je begraven wordt, dan kun je tenminste daar naar toe gaan, naar die plek. En dat heb je met een crematie niet.
Kelly: Dat is wat pappa zegt, volg dan je gevoel.
Lenie: Dan zij het, begraven worden.
Kelly: Ja, dan wordt het begraven. Dan moet je niet om één of ander iets gaan twijfelen. Als dat is wat je wil... dat heb je al die tijd gewild. Doe dat nou ook gewoon.
Lenie: Ik heb ook alles op papier gezet, hoe ik het wil. Wat voor een kist, wat voor bloemen. Ik wil op een zaterdag begraven worden.... Zodat ik met muziek begraven kan worden. Ik zit nu jaren in de muziek, ik heb me daar genoeg voor ingezet. Dan zou ik het mooi vinden, als ik met muziek begraven werd.
Kelly: De liedjes heb je toch ook al uitgekozen.
Lenie: De liedjes heb ik uitgekozen ja.
De tranen biggelen nu bij Lenie over haar wangen..........
Lenie: Maar geloof me dat, dat moeilijk is. Is heel erg moeilijk.
Int: Heb je dat alleen gedaan?
Lenie: Nee, samen met Ben.
Int: En Kelly?
Kelly: Nee.
Int: Wil jij dat niet?
Kelly: Nee daar wil ik liever niet bij zijn.
Ben: Ik persoonlijk denk ook dat het in eerste instantie iets is tussen ons tweeën. Want dat is niets ten nadele van kinderen, degene waarmee je getrouwd bent, is toch je eerste naaste. Want hoe je het ook draait of keert, is nog altijd degene van wie je het meeste houdt. Ik denk ook dat je zo’n beslissing met die persoon neemt. Of het erover hebt, de beslissing moet je zelf nemen. Maar het er wel over hebt, hoe een ander daarover denkt. En ik denk dat als je je kind, of kinderen daarbij betrekt, dat je een hele andere opinie krijgt, om de doodeenvoudige reden dat kinderen over sommige dingen heel anders denken als ouders. Ik denk dat als je dat in heel Nederland zou vragen, je misschien wel een eensluidend antwoord krijgt. Dat wil niet zeggen dat je ze er niet bij móet betrekken, dat is heel iets anders. De vraag is altijd, wíllen ze erbij betrokken worden. Als ze erbij betrokken willen worden, dan melden ze zich meestal vanzelf wel.
Int: Is dat zo Kelly?
Kelly: Ik weet niet. Ik wil dan zelf liever niet met de dood geconfronteerd worden. Ik heb zoiets van, het is haar beslissing, ik ga me daar sowieso al niet in mengen. Van zou je niet dit, zou je niet dat. Is haar beslissing. Ik zou het misschien anders doen, weet ik niet. De tijd is er nog niet voor mij zo te merken.
Int: Maar hoe je met de dood van je moeder omgaat, dat doe je op je eigen manier.
Kelly: Ja. Ik denk dat iedereen dat op z’n eigen manier doet. Ik bedoel, ik ben nooit een prater geweest en dat zal ik nooit worden, dus...........
De interviewer bedankt het gezin.
Interview met Lenie, Ben (haar echtgenoot), en Kelly (haar dochter) band 4.
Int: Ja want ik neem aan dat we wel contact houden.
Lenie: Maar ik denk niet dat, dat nog lang duurt. Want zoals ik me nu voel, duurt het niet lang meer.
Int: Nee?
Lenie: Misschien hooguit een maand. Vanmorgen heb ik het nog tegen Ben gezegd.
Ben: Eigenlijk wisten we dat nu de laatste keer dat we bij Stoot zijn geweest. Ik merk dat ook aan de medicijnen. Ze heeft “Tramadol”gekregen. Bij kanker heb je pijnmedicatie in fases. Eén, twee en drie en vier. En zij is nu twee. Hoe lang heb je dat , een week of drie? En toen had ze er aan één of twee genoeg. En nu heeft ze eigenlijk aan vijf niet genoeg meer. Ik denk dat ik heel reëel moet zijn.



Terug naar boven